Geschiedenis van Varkensland

Op deze pagina beschrijven we de geschiedenis van Varkensland. Wat is Varkensland? Waar komt de naam vandaan? Hoe is Varkensland ontstaan? Was het altijd al zo’n plat boerenland? Het antwoord op die laatste vraag is alvast nee. Het was helemaal plat, oorspronkelijk was dit een landschap met relief, bulten die meters hogen lager dan nu.

Wat is Varkensland?

Het is geen groot gebied, wel bijzonder. Voor het grootste deel bestaat het uit veenweides. Er grazen koeien in voorjaar en zomer. Het wordt beweid, zoals dat heet. Maar dat gebeurt niet op een grootschalige en intensieve manier, zoals op de meeste andere plekken in bijvoorbeeld Waterland en West-Nederland, die uit veenweides bestaan. Van oudsher wordt er geboerd in het gebied, vanuit het dorp Watergang waarschijnlijk vooral. Omdat de stroken weiland alleen toegankelijk zijn via de sloten, per boot dus, was deze manier van boeren kostbaarder dan de weides die over land toegankelijk zijn, en dit was vermoedelijk ook een oorzaak dat de intensieve veeteelt hier nooit echt gekomen is. Nu is het gebied eigendom van Staatsbosbeheer. De weides worden verpacht aan zeven boeren, die daarbij veel rekening houden met de weidevogels: de beweiding gaat trapsgewijs, en de percelen met veel nesten worden zoveel mogelijk met rust gelaten, of er worden nestbeschermers geplaatst.

In het noordelijke deel van Varkensland, richting Ilpendam, liggen enkele moerasgebieden, waar de boeren helemaal niet komen. Dit is het domein van moerasplanten en -dieren.

Waar komt de naam Varkensland vandaan?

Dat is niet helemaal duidelijk. Het schijnt dat de naam al wel langer bestaat, maar niet gold voor het hele gebied dat nu Varkensland wordt genoemd. Dat laatste is pas iets van de laatste zeven a tien jaar. Daarvoor heette het gebied het Watergangse veld, net zoals aan de andere kant van het Noordhollands kanaal het Ilperveld ligt (een natuurgebied dat heel veel met Varkensland gemeen heeft). Varkensland vroeger, nog niet zo heel lang geleden dus, betrof alleen een gebied in het noorden, waar het land heel slecht was en de mensen, de boeren niets mee konden. Het was niet goed genoeg, zelfs niet voor varkens, maar het kreeg daarom wel die naam. Waarom deze naam nu voor heel het gebied in zwang is geraakt, is onduidelijk. Oude dorpelingen uit Watergang spreken nog steeds over het ‘Watergangse veld’.

Hoe is Varkensland ontstaan en was het altijd al zo’n plat polderland?

Het ontstaan van Varkensland hangt sterk samen met de vorming van de uitgestrekte veengebieden van West-Nederland en de ontginning van die moerassen sinds de Middeleeuwen.

Ontstaan van Nederland

Zo’n 10.000 jaar geleden liep de laatste IJstijd ten einde. Het ijs trok zich terug. Terwijl de continenten er allang bij lagen zoals nu, moest Nederland voor het grootste deel nog worden gevormd. De zeespiegel steeg en rivieren mondden uit in de delta, die Nederland is. Van alle kanten brachten zij materiaal mee, dat hier werd afgezet. Ons land kwam letterlijk aanspoelen. Dat proces was (en is) heel dynamisch, omdat de loop van de rivieren steeds veranderde, evenals de zeespiegel en het klimaat. Dat alles had zijn effecten en zorgde ervoor dat het landschap continue veranderde.

De beginjaren

De beginjaren waren de roerigste. In de ijstijden lag de zeespiegel veel lager dan nu. In de laatste ijstijd, het Wechselien, lag de Noordzee grotendeels droog en kon je naar Engeland lopen. Toen het warmer werd, begonnen ijs te smelten en steeg de zeespiegel weer. Aanvankelijk ging dat heel snel. Toen het landijs vrijwel was verdwenen, nam die stijging sterk af (tot ca. 4 cm. per eeuw). Langs de kust ontwikkelden zich een serie strandwallen, die door zee werden opgeworpen. In eerste instantie werden deze veelvuldig doorbroken. Vanaf circa 5000 jaar geleden was de zeespiegelstijging zo sterk afgezwakt dat de strandwallen zich sloten en de kustlijn zich zeewaarts uitbouwde.

Vorming West-Nederland

West-Nederland, en dus ook Varkensland, is niet aangespoeld door zee of rivieren. De ondergrond van West-Nederland bestaat uit dood plantenmateriaal: uitgestrekte veenmassa’s, die zich konden ontwikkelen achter de strandwallen die vanaf circa 5000 jaar geleden de zee tegenhielden.

Veenvorming

Veen is een ophoping van dood plantenmateriaal. In de meeste gevallen wordt het snel afgebroken door de reactie met zuurstof (oxidatie) en inwerking van bacteriën. In natte omstandigheden wordt deze afbraak echter sterk geremd door de afwezigheid van zuurstof en kan het veen groeien.

Omdat de veengroei in West-Nederland gelijke tred hielden met de zeespiegelstijging, waren de omstandigheden hier ideaal. De huidige veengebieden van West-Nederland ontstonden in hun oervorm dan 10.000 jaar geleden, na de laatste IJstijd. Op het ontdooide land groeide een vegetatie die na het afsterven onder water kwam te liggen en daardoor niet verging. Gevolg was dat de bodem ‘omhoog groeide’. Uiteindelijk tot bijna tien meter boven NAP.

Er bestaan twee hoofdtypen veen: laagveen en hoogveen. Laagveen is ontstaan onder de waterspiegel en hoogveen is gevormd ver boven het oorspronkelijke grondwaterniveau. Het onderscheid heeft dus niets te maken met de absolute hoogteligging.

In het algemeen start veenvorming door verlanding van stilstaand open water. De verlanding vindt plaats via een opeenvolging van een aantal stadia (successie). De verlanding start met de groei van algen en wieren die afsterven en neerslaan in de vorm van gyttja (spreek uit: juutje). Dit is een groenbruine, organische afzetting. Zodra de diepte van de plas afneemt tot minder dan twee meter kan riet gaan groeien. Het hierbij gevormde veen heet rietveen. Bij verdergaande verlanding waarbij de waterdiepte afneemt tot minder dan 0,5 meter krijgen zeggesoorten de overhand en wordt zeggeveen gevormd. Als de plas bijna droog komt te liggen treedt boomgroei op met als belangrijkste soorten berk en els. Het gevormde veen is bosveen. Alle veensoorten in deze stadia worden aangeduid als laagveen. Laagveen is door invloed van grond- en oppervlaktewater voedselrijker (eutroof) dan het voedselarme (oligotroof) hoogveen dat bij verdergaande successie ontstaat.

Vergelijkbaar met gyttja vormt zich in voedselarme, ondiepe plassen in eerste instantie een afzetting die wordt aangeduid als dy (spreek uit: duu). Hoogveen bestaat uit resten van planten die voor hun watervoorziening geheel van regenwater afhankelijk zijn. Veenmossen vormen het fundament van hoogveen. Ze komen voor in zure, voedselarme omstandigheden en kunnen met erg weinig voedsel toe. Veenmossen nemen enkele tientallen malen hun eigen gewicht aan water op. De soort groeit aan de top en sterft af aan de voet. Andere kenmerkende hoogveensoorten zijn wollegras, waterlavendel, veenbes en heidesoorten.

Vroeger kwam veen zeer algemeen voor, maar nu zijn grote delen verdwenen. Het is voor een deel verdwenen door afslag aan de oevers van grotere meren en erosie door zee. Het grootste deel is echter afgegraven voor de turf- en zoutwinning. De winning van zout gebeurde door veen dat doordrenkt was met zeewater te verbranden. Een andere oorzaak van het verdwijnen van veen, is de ontwatering, waardoor het niet alleen inklinkt, maar ook oxideert.

Nederland is in de hele wereld bekend, omdat wij leven onder de zeespiegel. Een groot deel van West-Nederland ligt inderdaad beneden de zeespeiegel. In en om Amsterdam hebben veel polders een diepte van zon vijf meter beneden NAP. De strijd tegen het water heeft een belangrijke rol gespeeld in onze geschiedenis. Water vormt nog steeds een belangrijke factor in ons landschap.

Door kunstmatige ontwatering met behulp van pompen en gemalen zorgt de mens in veel gebieden in Nederland voor verlaging van de grondwaterspiegel. Dit wordt vooral gedaan in de lage gebieden van West-Nederland. Door verlaging van de grondwaterspiegel is de grond meer toegankelijk en geschikter voor landbouw of ander gebruik, zoals bebouwing. Als de grondwaterstand in veengebieden wordt verlaagd voor landbouw, ontstaat er inklinking. Enerzijds is er sprake van directe inklinking als gevolg van de lagere hoeveelheid water in de bodem. Anderzijds zorgt de toevoer van lucht aan de veenbodem dat deze zal verteren (de organische resten zullen worden omgezet), wat indirect ook zorgt voor inklinking. Als de bodem inklinkt, zal er opnieuw water toestromen. Vervolgens zal het grondwaterpeil weer worden verlaagd om de grond bruikbaar te houden. Dit proces van continue bodemdaling is al honderden jaren bezig in onze veenbodems, en heeft gezorgd voor vele diepe polders ver beneden het niveau van het omringende oppervlaktewater. Dit effect is nog versterkt door de stijging van de zeespiegel.

Veenlandschap

De oorspronkelijke veengebieden waren lang niet zo vlak als het huidige reliëf doet vermoeden. Deze gebieden bestonden uit grote ‘kussens’ van hoogveen, gescheiden door uitgestrekte vlakke veengebieden, waarin kleine veenstroompjes als de Amstel en de gein stroomden. Deze riviertjes voerden overtollig water af uit de veenkussens, maar ook uit natuurlijke meren als het Naardermeer en het Horstermeer. Het reliëf in het natuurlijke veenlandschap is gekoppeld aan de aard van het veen: de lage delen ontvingen iets voedselrijker water en ontwikkelden zich tot zeggeveenvlakten. In de nabijheid van grotere rivieren, zoals de vecht, ontwikkelden zich bosveenvlakten, terwijl in de centrale delen met voedselarm water veenmosveen boven de omliggende vlakte uit kon groeien tot enigszins bolvormige terreinen.

Nadat de Romeinen dit zompige gebied vol muggen ongemoeid hadden gelaten, begonnen zo’n 1000 jaar geleden dan toch de eerste boeren het natte land droog te maken door er sloten te graven. Het veengebied van West-Nederland vormde voor het jaar 100 een wildernis, die alleen via kleine riviertjes en veenstromen toegankelijk was. De oudste bewoning bevond zich op de oeverwallen van deze riviertjes.

De eerste ontginningen van het veen vonden al voor de bedijkingen plaats. Door het gravne van sloten werd het veen enigszins ontwaterd en verdroogde het aan de bovenzijde. Hierdoor bleek het zelfs mogelijk enige tijd akkerbouw te bedrijven op de relatief hooggelegen veengebieden. Door de ontwatering trad echter al snel inklinking en oxidatie van het veen op, waardoor het grondwaterpeil relatief snel steeg. Op den duur werd het gebied te nat voor bouwland en moest men overschakelen op weiland. Omstreeks 1200 begonnen de veenstroompjes in en rondom Waterland gevaar op te leveren en vonden in toenemende mate overstromingen plaats vanuit de Zuiderzee en het IJ. De veengebieden werden daarom bedijkt, en de veenstroompjes werden afgedamd. Voorbeelden van dergelijke dammen zijn de Ilpendam, de Uitdam, de Durgerdam en de Amsteldam (circa 1275).

Na 1450 trad een aanzienlijke verbetering van de afwatering op door de inzet van de windmolen. Ontginningen vonden op een systematische manier plaats vanaf de oeverwallen van de riviertjes. Vanaf daar ontgon men het veen in langgerekte percelen van gelijke lengte en breedte met bewoning op de kavels: de zogenoemde cope-ontginningen. Soms bleven stukken land met een onregelmatige vorm over, die op het laatst als een restontginning werden uitgegeven.

In Noord-Holland, ten noorden van het IJ, is het veengebied gekenmerkt door een relatief onregelmatige verkaveling. De oorzaak hiervan is het ontbreken van een sterke centrale leiding, die wel een grote rol speelde in de zuidelijke gebieden, waar respectievelijk de bisschop van Utrecht en de Graaf van Holland een veel steviger gezag hadden. Het veenlandschap kenmerkt zich door een fijne verkaveling met brede sloten.

Vooral gebieden met veenmosveen zijn vanaf de Middeleeuwen door de mens gebruikt voor turfwinning. Rietveen, zeggeveen en bosveen zijn hiervoor minder geschikte typen.

Vervening

Pas vanaf de 15e eeuw vond vervening op grotere schaal plaats door de uitvinding van de baggerbeugel. Elke boer maakte op zijn eigen grond een zogenaamd trekgat. De onbruikbare bovengrond werd in de sloot gedeponeerd; de strook tussen sloot en het trekgat fungeerde als zetwal of legakker. Hier werd bagger uitgespreid, tot turven gesneden en te drogen gelegd. Grote delen van Nederland zijn op deze manier in de kachel verdwenen. Door dit zogenaamde vervenen ontstonden trekgaten of petgaten die door afslag konden uitgroeien tot grote plassen (Ankeveense en Vinekeveense plassen). In de omgeving van Amsterdam (vooral Waterland) was de kwaliteit van de turf slecht door de aanwezigheid van zout in het veen (afkomstig uit overstromingen vanuit de Zuiderzee). Hier ontstonden daarom geen grote verveningen.

Varkensland anno nu

Varkensland is ook ontstaan, samen met het naastgelegen natuurgebied het Ilperveld, door vervening in de 18e eeuw. Men begon hier waarschijnlijk vrij laat met het turf steken, omdat de kwaliteit van de turf minder goed was. Het was te zout, en dat verbrandt minder goed. In de 19e en 20e eeuw werd er geboerd, maar omdat alles over het water en via bootjes moet gebeuren, werd deze manier van boeren te kostbaar, waardoor deze manier van boeren langzaamaan verdwenen is. Tegenwoordig is Varkensland in beheer als natuurgebied door Staatsbosbeheer. Het beheer gebeurde een tijdlang door Staatsbosbeheer zelf, vanuit een boerderij in Watergang. Omdat dit te duur werd, is de boerderij verkocht en het beheer uitbesteed aan de verschillende boeren in de omgeving die lid zijn van de agrarische natuurvereniging. Zij mogen het land bewerken, maar moeten zich wel aan bepaalde afspraken houden ter bescherming van de natuur.

Bron: Grote delen van de tekst zijn geciteerd uit de cursusreader ‘De ondergrond van Amsterdam, cursus Aardrijkskunde IVN afd. Amsterdam’, door Kinie Lont en Gerrit-Jan van Herwaarden

Advertenties